Het verhaal van een oude bluesmuzikant in zeven delen.
Ik liep Robert Johnson tegen het lijf in Arcola, Mississippi, tijdens de oogsttijd. We spraken af dat ik me later bij hem zou voegen, maar toen ik daar verscheen was hij al aan de slag gegaan, in de weer met zijn gitaar. Hij speelde een nieuwe song en het leek alsof ik de blues voor het eerst hoorde. De woorden waren van hem zelf en ze logen er niet om, maar in het begin lette ik geeneens op de tekst. Ik was gefascineerd door zijn rauwe stem en de manier waarop hij zijn hoofd in z’n nek gooide, alsof er iets in hem zou knappen als hij het niet uitschreeuwde. Hij deed me denken aan een doopsgezinde predikant die in trance raakt van z’n eigen gebed. Niet dat gelovige mensen ooit warm zouden lopen voor RJ en z’n duivelse muziek. Hij was mager en had een goed oog en een dood oog dat rondzweefde in zijn kas. Met dat dode oog, zeiden ze, kon hij verder kijken als alle anderen, tot in de hel aan toe – waaruit de blues sowieso afkomstig is, zoals iedereen weet. Z’n handen bewogen zich als nijdige spinnen over de snaren. Met z’n tweeën kon je nog niet spelen wat RJ, Bob LeRoy Johnson, uit zijn gitaar haalde. Hij was een veldnikker die te lui was om katoen te plukken. Hij was getekend en schichtig en tamelijk klein. Hij hield van zijn moeder en van vrijwel iedere andere vrouw die hij tegenkwam. Het was laat op de dag en er waren maar weinig mensen in de buurt, omdat er katoen werd gekapt in Mississippi en alle kleurlingen werkten, behalve RJ, ik en nog vijf à zeven andere luie honden zoals wij.
Ik herinner me vier jongens met kroeshaar, een ouwe man die Crawdaddy heette en twee jonge meisjes. De meisjes waren Linda en Booby. De jongens stampten met hun voeten en gaven knikkend blijk van hun waardering voor wat RJ zong. En die oude Crawdaddy schudde met zijn schouders alsof hij weer jong was en elk moment op de dansvloer kon stappen. Het was een beetje orkaanweer die dag, warm en koel tegelijk, met een wind die uit de Golf van Mexico kwam.
Eerst speelde hij “Love in vain”, maar Booby’s mond viel pas open toen RJ “Me and the Devil” zong. Ze had een eenvoudige katoenen jurk aan en droeg een felrode doek om haar hoofd. Ze was een gezonde meid met een ferme boezem en stevige benen, maar toen ze RJ hoorde viel haar mond open en bungelden haar armen langs haar lichaam. Toen Robert ons vertelde dat zijn verdorven ziel op de Greyhound bus zou stappen, leek Booby elk moment op de grond te kunnen vallen. Die jongen kon een vrouw de kleren van het lijf spelen.
We stonden op straat, RJ stampte met zijn harde zolen en zong splinternieuwe blues. Ik bedoel, hij speelde blues die niemand eerder had gehoord, hij stond pal voor onze ogen geschiedenis te maken. Er verschenen steeds meer mensen en de stuivers kletterden in dat ouwe conservenblik van hem. Toen er genoeg toeloop was, stak ik de straat over en haalde mijn eigen gitaar tevoorschijn. Ik was amper zestien, maar spelen kon ik. Bluesmuzikanten in de Delta speelden op straat vaak tegenover elkaar. Zo ontstond het soort spektakel dat de negers van het platteland graag zagen. En het kon nooit kwaad om in vreemde omgeving een maat te hebben die bijspringen wou wanneer een landarbeider over de rooie ging omdat je zijn vriendin zo lief naar je liet lachen.
Ik denk dat RJ’s muziek Booby op een gegeven moment teveel werd, want ze begaf zich naar de andere kant van de straat, meer als een afgevlakte zandweg was het niet, om naar mijn zoetgevooisde blues te luisteren. Satan had geen belangstelling voor mij. Het was een avond om nooit te vergeten. Het einde van een dag hard werken op de velden. De mensen waren zo moe dat hun vingers door het stof sleepten, maar toch kwamen ze kijken wat al die anderen deden. Zelfs de hemel was nieuwsgierig. Er raasden grote dikke wolken voorbij en dan verschenen er een paar zonnestralen, zodat je even verblind was. De mensen riepen: “Right” en “Oké”. Sommige meisjes begonnen hun voeten te bewegen en de jongens deden al snel mee, want kreeg een vrouw toen in die tijd zin om te dansen, dan deed ze dat gewoon. Als haar vriend toevallig geen zin had, pakte ze de hand van een andere man. Zo ging dat in die dagen. We speelden en speelden. De stuivers vielen als hagel. Iedereen danste op de duivelse luimen van RJ en als de mensen moe werden, staken ze de straat over bracht ik ze tot rust met songs als “Got me a country girl” of “Blind catfish blues”. Er moeten wel veertig mensen naar Bob en mij hebben geluisterd. Veertig kleurlingen die zo arm waren als kerkratten. We voelden ons gewoon bevlogen, maar plotseling verscheen de sheriff in de straat. Heck Wrightson was een blanke man die een lichaam voor twee had en nog valser was als een rat in je broekspijp. Hij gooide zijn knuppel met zoveel kracht neer dat het kletterend over de planken van het houten trottoir rolde. Hij riep: “Iedereen kan maar beter op de grond liggen als die knuppel uitgerold is, want dan vuur ik een salvo af op heuphoogte”. Booby was de eerste die schreeuwde. Vervolgens renden er mensen weg, met gebogen hoofd en opgestoken handen. Anderen vielen over elkaar heen en vormden stapels op de grond. Heck was een man van zijn woord. Hij haalde een pistool tevoorschijn, hield de .41 naast zijn broekspijp en vuurde in een ontspannen tempo kogels af. Pauw!! Pang!! Heck glimlachte. Linda smakte met een luide schreeuw op de grond. Ik zag haar vriend van haar wegsprinten en om de dorpswinkel heenrennen. Ik zat vreselijk in mijn maag met mijn gitaar, die ik van mijn oom had gekregen en die ik naar mijn vermoorde vriend Bannon had genoemd. Ik kon het instrument niet zomaar op de grond gooien of er wild mee aan de haal gaan. Dus liet ik me naast het houten trottoir omlaag zakken. De mensen gilden en renden nog terwijl ik me tegen de aarden wand drukte en God smeekte mijn leven en mijn gitaar te sparen. Toen verscheen er een grote laars naast mijn hoofd. “Naar boven, nikker,” zei de laars en op dat moment besefte ik dat Heck me te pakken had. Ik keek omhoog en zag hem als een toren boven mij uitsteken. De afschrikwekkende loop van zijn pistool staarde terug. Met zijn andere hand hield Heck RJ bij zijn overhemd vast. Uit de blik op het gezicht van Bob Le Roy sprak het complete verhaal van de zwarten in Mississippi. RJ was een onbezonnen jonge kerel, wild en trots, maar toen die wetsdienaar hem bij de kladden had, kromp hij ineen en schikte in zijn lot. Zijn goede oog staarde uit over de zandweg en zijn slechte zocht een plaats op duizenden kilometers afstand. Zelfs zijn lippen zakten naar beneden, want als een blanke, en zeker een politieman, een nikker greep, dan was het pleit beslecht. Als je hem ook maar enigszins last bezorgde of een grote mond gaf, of als je rechtop stond en hem in de ogen keek – als je één van die dingen deed, wachtte je de dood, daar kon je donder op zeggen.
Heck sleepte ons naar de blanke kapperszaak, waar zijn oom tanden trok en haar knipte. Achter in het vertrek bevond zich een cel. Gewoon een bergruimte met een gietijzeren deurkozijn waarin vijf metalen staven waren bevestigd. Als gevangenis stelde het geheel niets voor. Er zaten niet eens tralies voor het raampje, maar we waren wel zo verstandig om niet aan ontsnappen te denken.
Bob ging in een hoek zitten alsof hij straf gekregen op school. Hij zat op de grond, want de cel bevatte geen meubilair, zelfs geen krukje. Er stond alleen een metalen emmer die een doordringende stank van stront en braaksel verspreidde. “Hoor eens Bob”,fluisterde ik toen Heck naar buiten liep om met zijn oom te praten. RJ schudde zijn hoofd zo krachtig heen en weer dat zijn wangen klapperden, maar hij zei geen woord. Ik wendde me van hem af en liep naar de celdeur. Daar wierp ik een blik in de kapperszaak. Heck had onze gitaren in de hoek gezet, onder de plek waar de klanten hun jas ophingen. Ik wilde die blanke toeroepen dat hij onze gitaren veiliger moest opbergen, maar ik was bang dat hij dan uit nijd een snaar zou breken, of erger.
Op dat moment begon Bob te roepen. “Ohh, momma, yeah. Yeah, yeaaaaahhh,”klonk het luid. “Ohhh, momma, I,” zong hij. Vervolgens gooide hij zijn hoofd achterover en neuriede een hoge, langgerekte toon.
“Wat is dat nou?”,hoorde ik Heck roepen. Ik zag de kapper, een man met rood haar, opkijken van het gebogen hoofd voor hem. Ik greep RJ beet en siste tussen m’n tanden: “Stil, Bob. De sheriff houdt niet van lawaai”. Maar toen stond Heck al bij de deur van de cel. Hij was gekleed in een Levi’s spijkerbroek en een cowboyhemd met drukknoopsluiting. Op zijn linkerwang zat een enge groene vlek. Hij kauwde op een spijker zoals gewone mensen op een tandenstoker kauwen. “Wat is hier aan de hand?” bulderde hij. “Niks,” antwoordde ik. Maar net op dat moment schreeuwde Bob: “Ohhhh.Ohh.” “Wat mankeert hem?” Heck klemde zijn vuist om één van de tralies. Ik was bang dat hij die staaf uit de deur zou rukken en ons ermee dood zou slaan. “RJ heeft een toeval,” zei ik tegen hem. Ik dacht dat het waar was. Hij zei: “Probeer je me te belazeren, boy?” Ik zei:” Nee meneer, nee meneer”
Ik begon meteen te buigen als een plantagenikker. Ik zat weliswaar op de vloer, maar buigen deed ik toch. Ik hield mijn hoofd omlaag en liet mijn lippen hangen terwijl ik sprak. Je wilt vast niet horen hoe iemand zich als nikker gedraagt wanneer een blanke zijn zweep laat knallen. Maar je hebt het Zuiden niet meegemaakt zoals het vroeger was, zoals ik het beleefd heb. Je hebt nooit op de vloer gelegen in het bijzijn van een man die als een beer neerkijkt op je zwakke vlees.
Heck gooide de celdeur open en liep met grote passen op RJ af. “Hou op met dat gebrom, nikker!” En RJ zong: “Ohhh, momma!” en wiegde heen en weer. Heck gaf Bob zo’n harde draai om zijn oren dat die arme jongen over dat kleine beetje vloer daar rolde. Maar hij sprong meteen weer op z’n hurken en kroop terug in zijn hoek en begon opnieuw te zingen. Heck gaf hem weer een pets. Maar dit keer had RJ zijn achterwerk verankerd. Je kon zien hoe hard die klap was, maar Bob trilde alleen maar, trilde en jammerde.
De sheriff begon zich een beetje zorgen te maken toen hij zag zijn oorvijgen RJ niet deerden. Dus wendde hij zich tot mij en vroeg: “Wat mankeert hem?”